Wonen en werken uit elkaar: wat er verandert

Wonen en werken uit elkaar: wat er verandert

De landelijke koers is duidelijk: de woning van een internationale medewerker mag niet langer vastzitten aan zijn contract. Wat die scheiding in de praktijk vraagt van gemeenten, werkgevers en huisvesters.

Wonen en werken uit elkaar: wat er verandert

Vanaf 1 juli 2028 mogen werkgevers geen huisvestingskosten meer inhouden op het minimumloon van internationale medewerkers. Minister Vijlbrief schaft die mogelijkheid af, gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Wet passende huurcontracten.

Voor een deel van de branche is dat een probleem, omdat het verdienmodel erop rust. Voor ons is het een bevestiging van de richting die we al hadden gekozen.

Waar deze beslissing vandaan komt

De commissie-Roemer schreef het in 2020 al op: een arbeidsmigrant moet zelf over zijn huisvesting kunnen beslissen, net als iedere andere werknemer in Nederland. Wonen en werken scheiden, om de afhankelijkheid van de werkgever te verkleinen.

Die aanbeveling werd zes jaar lang wel onderschreven en niet uitgevoerd. Tot nu.

Op dit moment mag een werkgever maximaal 25 procent van het brutominimumloon inhouden in ruil voor woonruimte, en alleen wanneer die woonruimte gecertificeerd is. De minister noemt de reden om daarmee te stoppen zonder omhaal: veel arbeidsmigranten zijn nu te afhankelijk van hun baas voor een slaapplek, en werkgevers moeten hen een eerlijke prijs laten betalen voor huisvesting.

Uit eerder onderzoek bleek dat werkgevers geregeld het maximale bedrag inhouden, terwijl de kwaliteit van de woning dat niet altijd rechtvaardigt. Dat is precies het gedrag dat de hele sector zijn reputatie kost.

Wat de scheiding praktisch betekent

Het klinkt als een administratieve wijziging. Dat is het niet.

Wie de huur niet meer op het loon inhoudt, moet huisvesting inrichten als een zelfstandige dienst met een eigen huurovereenkomst, een eigen prijs en een eigen opzegtermijn. De bewoner betaalt zelf, uit zijn nettoloon, en houdt zijn woning ook als het werk eindigt.

Dat vraagt om partijen die huisvesting als vak beschouwen in plaats van als bijproduct van uitzendwerk. En het vraagt om voldoende woningen, want zonder aanbod verandert een zelfstandig huurcontract weinig aan de positie van de bewoner.

Dat aanbod is er niet. Het Expertisecentrum Flexwonen berekende dat er circa 160.000 kamers bij moeten komen, boven op het tekort dat er al is.

De sector organiseert zichzelf

In april 2026 verbond een kopgroep van vijftien partijen zich aan de oprichting van de Vereniging Huisvesting Internationale Medewerkers, de VHIM. In juni volgde de formele oprichting. De vereniging brengt huisvesters, werkgevers en bemiddelaars samen onder één uitgangspunt: de hele keten is verantwoordelijk, niet één schakel.

De VHIM werkt met toelatingseisen, een gedragscode, een ballotagecommissie en een sanctiestructuur. Alleen bonafide organisaties komen erin. De normen van de commissie-Roemer vormen het vertrekpunt. In augustus 2026 tekende de vereniging een partnerschap met het Expertisecentrum Flexwonen.

Dat is relevant voor gemeenten om een eenvoudige reden. Tot nu toe moest u zelf beoordelen of een huisvester deugt. Er ontstaat nu een partij die dat oordeel namens de sector organiseert, en die daarop aanspreekbaar is.

ZPOT, onze huisvestingspartner, behoort tot de vijftien oprichters. Directeur Eefke Visser-Bierbooms zit in het bestuur. De inbreng van de vereniging op de internetconsultatie over de Wet passende huurcontracten loopt via diezelfde lijn.

Wij zitten dus niet aan de zijlijn te kijken hoe deze regels ontstaan.

Hoe dit er in de praktijk uitziet

Beleid is één ding. Een gebouw is iets anders.

In het Westland staat Homeland, gerealiseerd door ZPOT in samenwerking met de gemeente Westland en met ons. Gebouwd volgens de Roemer-norm, en in gebruik.

Eefke Visser-Bierbooms zei bij de opening dat ze hoopt dat het pand een voorbeeld is voor andere gemeenten om meer huisvesting te vergunnen en volgens die norm te realiseren. Wethouder Valstar noemde het een duidelijke stap richting fatsoenlijke, veilige en moderne huisvesting, en sprak van een plek waar werk en wonen elkaar versterken.

Onze directeur Rita Kostwinder vatte het korter samen: een tweede thuis bieden.

Wat Homeland vooral laat zien, is dat het kan. Niet als uitzondering, maar als resultaat van een gemeente, een huisvester en een werkgever die dezelfde kant op werken.

Wat dit betekent voor uw gemeente

De keuze waar gemeenten nu voor staan is bekend: overlast in woonwijken, of stilstand in nieuwe plannen. Zolang mensen hier wel werken maar hun huisvesting niet georganiseerd is, blijft die keuze terugkomen.

Vier dingen zijn de komende periode concreet.

1. De deadline ligt vast, de uitvoering niet

1 juli 2028 is een harde datum. Partijen die hun model daarop niet aanpassen, komen in de problemen, en hun bewoners ook. Dat is nu al zichtbaar te maken in gesprekken met partijen in uw gemeente.

2. Arbeidsmigranten zijn officieel aandachtsgroep

Met de novelle bij de Wet versterking regie volkshuisvesting, in maart 2026 aangenomen door de Tweede Kamer, zijn internationale medewerkers aangewezen als aandachtsgroep naast studenten, ouderen en statushouders. Erkenning op papier levert alleen geen bedden op. Dat vraagt om tekortanalyses, woonprogrammering en locatiebeleid.

3. De SNF-norm is per 1 oktober 2026 aangescherpt

De nieuwe norm geeft verdere invulling aan de aanbevelingen van de commissie-Roemer. Certificering blijft gelden per locatie en niet per onderneming, dus de vraag is altijd welke specifieke locatie gecertificeerd is.

4. Vraag naar de contractvorm

De scherpste vraag die u aan een partij kunt stellen is niet of hij een keurmerk heeft, maar of de bewoner een zelfstandig huurcontract krijgt en welke opzegtermijn daarbij geldt. Dat antwoord zegt meer over de werkwijze dan enig document.

Onze positie

NL Jobs is in 2002 opgericht door vier Nederlandse tuinders, die nog altijd aandeelhouder zijn en tegelijk onze grootste opdrachtgevers. Dagelijks werken er ruim 2.500 mensen via ons in de glastuinbouw, agrarische sector, productie, logistiek en techniek.

Onze huisvesting is SNF-gecertificeerd en loopt via ZPOT, een van de oprichters van de VHIM. Die combinatie is geen toeval. Wij vinden dat huisvesting vakwerk is en geen bijzaak, en dat de scheiding van wonen en werken de goede richting is, ook wanneer die op korte termijn ongemakkelijk uitpakt voor een deel van de branche.

Wij snappen dat gemeenten kritisch zijn op deze sector. Dat is verdiend. Wij gaan het gesprek daarover liever aan dan dat we het vermijden.

Werkt u aan beleid rond de huisvesting van internationale medewerkers, of wilt u weten hoe wij het geregeld hebben? Neem contact met ons op.

Veelgestelde vragen

Wat verandert er op 1 juli 2028?

Vanaf die datum mogen werkgevers geen huisvestingskosten meer inhouden op het minimumloon. De afschaffing loopt gelijk op met de inwerkingtreding van de Wet passende huurcontracten, die deze zomer in internetconsultatie is gegaan.

Wat mag er nu nog wel?

Onder de huidige regeling mag een werkgever maximaal 25 procent van het brutominimumloon inhouden voor woonruimte, en uitsluitend wanneer die woonruimte gecertificeerd is.

Wat is de VHIM?

De Vereniging Huisvesting Internationale Medewerkers, opgericht in 2026 door vijftien partijen uit de sector. De vereniging richt zich op kwaliteitsborging, transparantie en toezicht, werkt met toelatingseisen en een gedragscode, en neemt de normen van de commissie-Roemer als vertrekpunt.

Wat betekent het scheiden van wonen en werken?

Dat de woonsituatie van een internationale medewerker losstaat van zijn arbeidscontract: een eigen huurovereenkomst, een eigen prijs en een eigen opzegtermijn. Het doel is de afhankelijkheid van de werkgever te verkleinen.

Hoeveel huisvesting komt er tekort?

Het Expertisecentrum Flexwonen berekende dat er circa 160.000 kamers bij moeten komen, boven op het bestaande tekort.

Waar kan een gemeente op controleren?

Op de certificering van de specifieke locatie, niet van het bedrijf; op de contractvorm en de opzegtermijn voor de bewoner; en op de bereidheid van een partij om locaties, contracten en inspectierapporten te laten zien.